Das



De das is het grootste voorkomende landroofdier in Nederland en behoort tot de familie der marterachtigen.
Tezamen met de andere marterachtigen: otter, wezel, hermelijn, bunzing, nerts en de boom- en steenmarter, vormt deze familie van marterachtigen de grootste groep landroofdieren in Nederland.

De das is een zeer stil dier, toch kan hij veel verschillende geluiden maken. In opwinding maakt de das mekkerende, tokkende, snuivende en grommende geluiden.
Bij de jongen maakt de das piepende en kirrende geluiden. Bij bedreiging is een diep, zwaar gebrom te horen en bij angst, gevechten en hevige pijn schreeuwt hij hard.

De das komt in bijna geheel Europa en de gematigde zones van Aziƫ, tot in China en Japan voor. In Nederland komt de das vooral voor op de hogere gronden in het oosten, zuiden en midden van het land.
De das ontbreekt in Noord-Holland (behalve het Gooi), Zuid-Holland en Zeeland. De meeste dassen komen voor op de Veluwe, in oostelijk Noord-Brabant en Zuid-Limburg. Rond 1900 leefden er naar schatting 12.000 dassen in Nederland, maar dat aantal was in 1960 gedaald tot ongeveer 1200, voornamelijk door vervolging.
Sinds het beschermingplan voor de das groeit de Nederlandse populatie weer. Er zijn nu naar schatting weer 5.000-6.000 dassen. Momenteel is de grootste bedreiging de sterfte door verkeer of verdrinking in beschoeide kanalen.
In Zuid-Limburg was tot 1960 dassenvlees en potjes dassenvet nog op straat te koop omdat er werd gedacht dat dassenvet een geneeskrachtige werking heeft op allerlei mijnwerkerskwalen.

De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen.
Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Zelfs in afgravingen, oude ertsmijnen, op kliffen en onder gebouwen wordt de das soms aangetroffen. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld.


Bron: zoogdierenvereniging