Hij kan 25 tot 30 centimeter groot worden. Belangrijk kenmerk zijn de felrode poten.
Andere soorten ruiters zijn: witgat, bosruiter, zwarte ruiter en groenpootruiter.
Het verenkleed bestaat uit een donkergrijsbruine bovenzijde met lichte vlekjes, een witte onderzijde en gevlekte flanken. Verder heeft de vogel oranje poten, een oranje snavel met een donkere punt, een lichtbruine hals, borst en kop met donkere strepen.
Hij heeft een brede, witte achtervleugel.

Het legsel bestaat meestal uit vier matte, peervormige eieren, die zeer gevarieerd gekleurd kunnen zijn.

De tureluur broedt in een groot gebied dat van IJsland naar West- en Midden-Europa en dwars door Midden-Azië tot aan de Grote Oceaan loopt. Hij overwintert in zuidelijke gebieden.


In Nederland komen tureluurs het hele jaar voor.
Het is een (nog steeds) talrijke broedvogel, verder zijn er grote aantallen doortrekkers en minder grote aantallen overwinteraars.
Een van de belangrijkste broedgebieden van Nederland is het Verdronken Land van Saeftinghe waar bijna 10% van de Nederlandse populatie broedt.
De Nederlandse broedvogels overwinteren aan de kusten van Portugal, Spanje en Noordwest-Afrika. De tureluurs die in Nederland doortrekken en overwinteren zijn vogels uit Noordwest-Europa. Deze houden zich vooral op in zoute en brakke getijdewateren.


In de periode 1989-1991 werd het aantal broedvogels in Nederland geschat op 30.000 paar.
Tussen 2003 en 2007 is er een afnemende trend geconstateerd van 5% per jaar.
Door de geleidelijk afname staat de tureluur als 'gevoelig' op de Nederlandse rode lijst van bedreigde of kwetsbare vogelsoorten. De tureluur staat op de Vlaamse rode lijst als kwetsbaar. De achteruitgang wordt veroorzaakt door onder meer de grootschalige, gerationaliseerde melkveehouderij. De tureluur valt ook onder het AEWA-verdrag.

Internationaal loopt de vogel geen gevaar, hij staat als 'veilig' (Least Concern) op de IUCN-lijst.


Het broedseizoen van de tureluur loopt van half april tot in juni. Het broeden duurt 22 à 25 dagen.
Deze weidevogel legt gewoonlijk vier eieren van gemiddeld 45 × 32 mm, in een kuiltje in het gras, meestal in een weiland.
De grashalmen rond het nest worden over het nest gebogen, waardoor het goed verborgen is. Typerend is dat de tureluur vaak op slechts enkele meters afstand broedt van het nest van een kievit.
De tureluur profiteert daardoor van de technieken die de kievit heeft om predatoren op afstand te houden.



Bron: Wikipedia
Tureluur