Tussen de ijstijden leefden de damherten onder andere tot in West-Europa, maar de laatste ijstijd heeft de dieren naar Klein-Azië verdreven.
De Romeinen brachten de soort weer met zich mee en verspreidden het dier door het gehele Romeinse Rijk. Tegenwoordig komt het op alle continenten behalve Antarctica voor.
Het damhert is de soort die het vaakst gehouden wordt in hertenkampen.

Een opvallend kenmerk, waarmee het zich onderscheidt van andere echte herten, is het schoffelgewei.
Hierbij zijn de einden van de takken met elkaar verbonden door platen. Enkel het mannetje draagt een gewei. Het wordt in april en mei afgeworpen, waarna het gelijk weer begint aan te groeien.
De basthuid wordt in augustus en september afgeschuurd. Het gewei groeit naarmate het dier ouder wordt. Bejaarde mannetjes hebben weer kleinere geweien.

Het damhert voedt zich voornamelijk met grassen, biezen en kruiden, aangevuld met jonge bladeren, eikels, granen, wortelen en 's winters schors, hulst en heide.
Aan de rand van het Teutoburgerwoud kan men ze in de zomeravonden dagelijks in appelboomgaarden treffen om de rijpe appels van de bomen te "stelen".

Het zijn dagdieren. In verstoorde gebieden zijn ze echter meer schemeringsdieren. Oudere mannetjes hebben de neiging vooral 's nachts te leven. Het damhert is een goede zwemmer.

Damherten leven in gescheiden roedels. Na de paartijd leven de volwassen mannetjes in aparte vrijgezellengroepjes, terwijl de vrouwtjes (hinden) met hun nakomelingen van dit en voorgaande jaar in groepjes van vijf tot zeven dieren leven.
Een hindenroedel wordt geleid door een dominant vrouwtje. Jonge mannetjes blijven meestal bij zo'n groep tot ze twintig maanden oud zijn, waarna ze trekken naar de vrijgezellengroepjes.
Op open voedselrijke gronden kunnen de roedels zich samenvoegen tot groepen van tot wel tachtig dieren. In sommige gebieden komen het gehele jaar door gemengde roedels voor. Het damhert is buiten de bronsttijd niet territoriaal, en de woongebieden overlappen vaak. Het woongebied van de mannetjes is vaak groter dan dat van de hinden.

In juni en juli, na een draagtijd van 230 dagen, wordt één kalf (zelden twee) geboren.
Het kalfje weegt ongeveer 4,5 kilogram en heeft eenzelfde kleurenpatroon als volwassen dieren. Damherten die op volwassen leeftijd wit zijn, worden echter met een zandkleurige vacht geboren.
Het kalf zal zich meestal de eerste weken verscholen houden in de vegetatie, maar het kan zijn moeder al volgen.
De zoogtijd duurt gemiddeld zo'n twaalf weken.

Het damhert kan tot circa 25 jaar oud worden.
De vrouwtjes zijn geslachtsrijp tot een leeftijd van circa 23 jaar.

Bron: Wikipedia
Damhert