Blauwe Reiger
De blauwe reiger is een vlees- en viseter die vissen en amfibieƫn eet, maar ook andere dieren als insecten en kleine zoogdieren worden wel buitgemaakt.
De vogel is een veel geziene soort in ondiepe plekken van stadssingels en poldersloten en in weilanden; de reiger wordt vliegend gezien langs grachten, beken en bij meren; de broedkolonies bevinden zich midden in de stad in hoge bomen of juist in volstrekt afgelegen bospercelen.

De blauwe reiger zoekt in stedelijke gebieden regelmatig de rand van tuinvijvers op, waarin vissen rondzwemmen.
Door liefhebbers van goudvissen of koi wordt de reiger dan ook beschouwd als een plaagsoort en wordt zo veel mogelijk geweerd.
In strenge winters hebben de blauwe reigers het zichtbaar moeilijk. Een blauwe reiger wordt gemiddeld 5 jaar oud.


Voorkomend binnen Europa als jaarvogel (donkergroen), zomergast (lichtgroen) en wintergast (blauw)
De broeddichtheid is nergens in Europa zo groot als in Nederland.

De habitat bestaat uit vochtige weiden, sloten, meren, rivieren en de (Wadden-)zeekust. De blauwe reiger broedt in bomen, soms in rietvelden en is tegenwoordig ook te vinden in stedelijke gebieden.

De vogel komt in geheel Nederland voor, ook in steden.
Holland en Friesland zijn favoriet: hier broedt 60 tot 70% van het bestand. Het aantal broedparen schommelde in het laatste kwart van de twintigste eeuw rond de 10.000.
De populatie is vorstgevoelig. Na de strenge winter van 1962/63 was de populatie met 45% in omvang afgenomen. Daarna volgde aanvankelijk een langzaam herstel. In de periode 1970-1975 groeide de populatie jaarlijks met 17%.


De blauwe reiger is een grote vogel met een lengte van ongeveer 90 tot 98 centimeter[3] en kan een lichaamsgewicht bereiken van zo'n 2 kilogram.
Er is geen seksuele dimorfie; het mannetje en het vrouwtje zien er ongeveer hetzelfde uit. Beide geslachten hebben een grijze bovenzijde, vleugels en staart en de vleugeleinden zijn zwart.
De kop is wit met een zwarte band door het oog, die doorloopt in een kuif. Ook de hals heeft een witte kleur maar is voorzien van lengtestrepen aan de voorzijde. De buikzijde is grotendeels lichtgrijs van kleur. De kop draagt een gele, dolkvormige snavel, in de broedtijd kleurt deze soms roodachtig.
De poten zijn lang en bruin van kleur en net als de snavel roodachtig.

De reiger heeft een matig snelle vlucht met langzame, zware en diepe vleugelslagen, maar soms wordt ook een kleine zweefvlucht uitgevoerd. De nek is hierbij s-vormig ingetrokken en de poten steken achter het lichaam uit. De vleugels zijn rond, met zwarte uiteinden en een zwarte band over de achtervleugel.

De blauwe reiger verschilt van andere soorten reigers door de relatief grote lichaamslengte, de grijze bovenzijde, de witte kop en hals met brede, zwarte streep van het oog naar de zwarte, sierlijk afhangende kuif.


Blauwe reigers eten soms ook kleine vogels.
Vissen van 10 tot 16 cm lengte vormen de hoofdschotel van het menu van de blauwe reiger, zoals voorn in rietvelden, forellen in stromend water, maar ook stekelbaars, paling, baars, snoek, grondel, zeelt, alver, karper en brasem.
Verder eet hij amfibieƫn (kikkers), reptielen (ringslangen), insecten, wormen, rivierkreeften, slakken, steurgarnalen, jonge vogels. Ook kleine zoogdieren als mollen, (water-)ratten, veldmuizen, waterspitsmuizen en konijnen worden gegeten.

De blauwe reiger is een waadvogel, die voorzichtig door ondiep water schrijdt of doodstil wacht op een naderende prooi.
Hij heeft een voorkeur voor een waterdiepte van 20 tot 40 cm. Als hij een prooi waarneemt schiet de kop met de lange snavel razendsnel vooruit. Bijzonder is dat hij daarbij blijkbaar precies met de breking van het licht op het grensvlak van lucht en water rekening houdt.
In grasland jaagt hij op muizen, kikkers en sprinkhanen, kleine vogels en wormen.


De blauwe reiger broedt van februari tot in juni. De broedduur bedraagt ongeveer 23 tot 28 dagen. Zowel het mannetje als het vrouwtje broeden de eieren uit, vanaf het eerste ei. De jongen blijven zo'n 50 dagen op het nest.

De vogel is een solitaire soort, maar broedt in grotere of kleinere kolonies. De nesten worden hoog in de bomen gebouwd. Ze zijn vrij groot en plat en bestaan uit takken, gevoerd met takjes, gras en veertjes. Een enkele keer wordt in struiken of riet gebroed.

De vrouwtjes produceren een enkel legsel per jaar, gewoonlijk bestaande uit 3 tot 5 eieren, zelden 6. De eieren zijn ongevlekt, blauwgroen en zonder glans. Ze zijn gemiddeld 60 bij 43 mm groot. De eieren zijn vaak bevuild.



Bron: Wikipedia
Blauwe Reiger - Biesbosch
Blauwe Reiger - Biesbosch
Blauwe Reiger - Biesbosch